★ ★ ★ ★ ★
Naast dat een requiem voorzien kan zijn van prachtige muziek, is het vooral een gebed dat de doden begeleidt en hen helpt verlossing te bereiken. Latijnse teksten die bol staan van hoop dat de overledene rust vindt (“Requiem eternam dona eis“) als de dag des oordeels is aangebroken (“Dies irae“). Nee, dan is het requiem van Brahms toch van een heel ander kaliber en neemt het een bijzondere plaats in in de canon van requiae.
Aangespoord door het verlies van zijn goede vriend Robert Schumann en later door het overlijden van zijn moeder schrijft Johannes Brahms (1833 – 1897) tussen 1865 en 1868 “Ein Deutsches Requiem”. De diverse delen zijn in verschillende jaren geschreven en het is ook wel degelijk geestelijke muziek, maar een liturgische tekst zoals we van een dodenmis gewend zijn, is er niet in terug te vinden. Brahms was in de overtuiging dat niet de doden troost moeten vinden, maar de nabestaanden geholpen moeten worden, zodat ze gesterkt worden in het dragen van het verlies van een dierbare. De zeven delen vormen in zijn geheel Brahms’ langste werk en tekstueel gezien getuigt het van zijn brede kennis van de Bijbel en zijn persoonlijke opvattingen over het geloof.
Al zolang ik naar opera luister, klinkt er met grote regelmaat een requiem uit de boxen. Ook Brahms is de afgelopen jaren regelmatig voorbij gekomen, maar op de één of andere manier deed het me niet veel. Mooie muziek, zeker, en de sopraan-aria is prachtig, maar dat was het wel. In voorbereiding op het concert vanochtend in Stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden, verzorgd door het Noord-Nederlands Orkest (NNO) onder leiding van vaste gastdirigent Hartmut Haenchen, ben ik in twee weken tijd het werk aandacht gaan beluisteren en in no time gaan waarderen. Uitvoeringen onder leiding van Maris Jansons, Bernard Haitink en Rafael Kubelik zijn onder meer voorbijgekomen. En dat maakte mijn zin en nieuwsgierigheid om de interpretatie van Haenchen te horen alleen maar groter.
En ik ben niet teleurgesteld. Absoluut niet! Vanaf de eerste inzet van het NNO en de eerste woorden van het Noord-Nederlands Concert Koor (NNCK) word je in je stoel geblazen, hoe piano de inzet ook is. En ruim een uur lang word je continu de adem benomen door alles wat er vanaf het podium de zaal ingestuurd wordt: een geniale Brahms magnifiek uitgevoerd door orkest, koor en solisten in optima forma.
Zangers zijn er over het algemeen niet weg van om voor het middaguur te moeten presteren, tenminste… zo’n zanger was ik zelf altijd. Maar het NNCK deinst nergens voor terug. Vanaf de eerste inzet is het loepzuiver, is elk woord op de letter te verstaan en bij de unisono-delen klinken de bijna 100 stemmen echt als één stem. Een terecht applaus voor dirigent Louis Buskens!
Het NNO speelt weer op het toppen van zijn kunnen en stelt zich samen met Haenchen volledig ten dienst van de muziek van Brahms. Elk gebaar van de zoals altijd zeer geconcentreerde Haenchen wordt op de voet gevolgd, elke noot in de partituur wordt gespeeld zoals deze bedoeld is.
Soms heb je van die concerten waarbij je denkt: de juiste solisten op de juiste plaats. En dat was vanochtend het geval. De Sloveense bariton Domen Križaj pakt je met zijn heldere en krachtige stem; zijn ‘Herr, lehre doch mich’ klinkt als een klok en zet je op het puntje van je stoel.
Maar de fluisterzachte inzet (en het vervolg) van haar aria ‘Ihr habt nun Traurigkeit’ door de Chinese sopraan Ying Fang zorgt (zorgen) ervoor, dat zowel mijn introducé als ik een traantje moeten wegpinken. Voor mij persoonlijk is het het hoogtepunt van de ochtend, zo mooi, zo engelachtig mooi.
Kortom: een magistrale uitvoering van Brahms’ “Ein Deutsches Requiem” door NNO, NNCK en solisten onder leiding van Hartmut Haenchen. Punt.

